9.C LITERATUUR

Loe de Jong

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Louis "Loe" of "Lou" de Jong (Amsterdam, 24 april 1914 — aldaar, 15 maart 2005) was een Nederlands historicus en journalist.

Loe de Jong is als oorlogskenner vooral bekend geworden door zijn uit 14 delen bestaande standaardwerk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog over Nederland en Nederlands-Indië in de Tweede Wereldoorlog, dat - op het laatste deel na - voor het grootste deel van zijn hand is. Hij was verder directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie van 1945 tot zijn pensionering in 1979. De Jong werd bij het Nederlandse publiek zeer bekend door zijn tv-serie De Bezetting van 1960-65.

Leven en werk

De Jong werd geboren in Amsterdam als zoon van een kruidenier-melkboer in een ongodsdienstig Joods gezin. Hij had een tweelingbroer, Sally (Salomon), die later arts werd.[1] Na zijn opleiding aan het Vossius Gymnasium te Amsterdam studeerde De Jong in de jaren dertig sociale geografie en geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. In 1936 en 1937 was hij redacteur bij studentenblad Propria Cures. Van 1938 tot 1940 werkte hij als journalist bij het links-liberale weekblad De Groene Amsterdammer waarvoor hij buitenlandredacteur was. Volgens zijn autobiografie beschouwde hij zichzelf als socialist.

Omdat hij zich na de Duitse inval op 10 mei 1940 realiseerde dat hij als Jood en vanwege zijn journalistieke werk een voor de hand liggend slachtoffer van de Duitsers zou zijn, vluchtte hij. Op de dag na de capitulatie, 15 mei 1940, kon hij met zijn vrouw Liesbeth vanuit IJmuiden met de Friso naar Londen ontkomen. Daar werd hij verslaggever bij (en later directeur van) Radio Oranje, de Nederlandse radiozender in Groot-Brittannië die radioprogramma's uitzond naar het bezette Nederland.

De Jong verloor in de oorlog door de nazi-vervolging veel familieleden, onder wie zijn ouders en zijn tweelingbroer. Dit tragische verlies, maar ook de Jodenvervolging in het algemeen, hebben de rest van zijn leven getekend.

[bewerken] Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie

In het voorlaatste jaar van de oorlog wist hij minister Gerrit Bolkestein van onderwijs enthousiast te maken voor het idee om na de oorlog een rijksinstituut op te richten dat zich zou gaan bezighouden met het verzamelen van documentatie wat er tijdens de oorlog allemaal in Nederland was gebeurd. Hij was hierin niet de enige, want in het bezette Nederland liepen de hoogleraren Jan Romein en Nicolaas Posthumus (De Jong had bij de laatste nog college gevolgd) ook reeds met een dergelijke gedachte rond.

Het resultaat hiervan was dat op 15 september 1945 het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (afgekort als 'RIOD' - zelf spraken de medewerkers altijd over 'Oorlogsdocumentatie', later het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, afgekort NIOD) van start ging en De Jong als directeur met de dagelijkse leiding werd belast; deze positie bekleedde hij tot aan zijn pensionering in 1979. Daarna wijdde hij zich volledig aan het voltooien van de hierboven genoemde serie over de Nederlandse oorlogstijd.

Van 1960 tot 1965 verzorgde hij op de Nederlandse televisie de serie De Bezetting. Hij presenteerde die zelf, behalve in het tweede seizoen toen Pier Tania hem verving wegens ziekte. De gebeurtenissen in de jaren 1940-1945 die gedurende de wederopbouw waren verdrongen kregen door deze televisieserie voor het eerst ruime aandacht.

In Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 7 (mei '43 - juni '44) beschrijft De Jong wat Nederlanders zich tijdens de bezetting voorstelden bij het lot van de Joden. De Jong vindt het beeld dat er miljoenen mensen geliquideerd werden, of door mechanische middelen vergast, voor de gewone Nederlander in 1942 volstrekt onaannemelijk. Men had geen concreet idee van wat er met de Joden zou gebeuren, wel een vaag vermoeden. Berichten over massale uitroeiing werden niet of nauwelijks in de geest opgenomen. Niemand was zeker dat de informatie juist was en dus werd er niet veel over de uitroeiing gepubliceerd. En dat terwijl, volgens De Jong, berichten pas doordringen als ze frequent, regelmatig en zonder innerlijke tegenspraak worden doorgegeven. Dit was juist niet het geval tijdens de oorlog. Mensen veronderstelden dat de berichten deel uitmaakten van de geallieerde propaganda of verdrongen ze.

[bewerken] Kritiek

Zijn grote werk over de Tweede Wereldoorlog is niet helemaal onweersproken gebleven. Een fundamenteel punt van kritiek was dat De Jong zich teveel liet leiden door de begrippen 'goed' en 'fout' en daardoor enerzijds de omvang van het verzet zou hebben overdreven en anderzijds de omvang van de collaboratie zou hebben onderschat. Ook zijn beschrijving van wat er in Nederlands-Indië was gebeurd ontmoette kritiek. Al bij het eerste deel van 'het geschiedwerk' publiceerde de journalist Jan Rogier in Vrij Nederland een serie zeer kritische besprekingen, waarin hij de Jong van een eng-nationalistisch standpunt betichtte, alsook van een 'vrijwel blinde verering' van het koningshuis. Deze besprekingen zijn later in boekvorm [2] gepubliceerd.

De Jong was onbuigzaam op het punt van het verzet. Hij erkende in zijn boek als verzet alleen georganiseerde groepen. Daarmee miskende hij de unieke onderduik in Nederland van 350.000 mensen, geholpen door zo'n 500.000 gastheren en -vrouwen en andere helpers - een beweging die zijn gelijke niet heeft gekend in bezet Europa. Ook miskende De Jong het verzet in Limburg, dat een grote rol heeft gespeeld in het onderbrengen van Joodse kinderen die uit de Hollandsche Schouwburg gered konden worden.

De Jong was zeker niet onfeilbaar. In 1978 sprak hij een incorrect oordeel uit over Willem Aantjes, fractievoorzitter van het CDA in de Tweede Kamer. De Jong beschuldigde hem ongevraagd van lidmaatschap van de Waffen-SS. Aantjes moest zich daarom terugtrekken als lid van de Tweede Kamer. Later bleek deze beschuldiging niet juist. Wel bleek Aantjes om uit Duitsland te ontsnappen zich aangemeld te hebben voor de Germaansche SS in Nederland (maar daar nooit lid van te zijn geweest). Ook suggereerde hij dat Aantjes kampbewaker was geweest, terwijl Aantjes daar als gevangene had vastgezeten.

Ies Vuijsje bekritiseert De Jong in Tegen beter weten in, het boek over de manier waarop de Joodse gemeenschap en de Nederlandse gemeenschap in Londen omging met de berichten over de Jodenvernietiging. Volgens Vuijsje drong De Jong systematisch in zijn standaardwerk gegevens over wanneer deze berichten voor het eerst doorkwamen, naar de achtergrond. Ook was De Jong onduidelijk over hoe de Londense Nederlandse gemeenschap ermee omging, onder meer Radio Oranje, waarvan hij redacteur was geweest. In zijn boek schoot De Jong qua gegevens en helderheid op dit punt tekort, volgens Vuijsje waarschijnlijk opzettelijk.

Ook komt er kritiek van andere kanten, bijvoorbeeld van voormalige verzetsstrijders uit de Ordedienst met name over de juistheid van de geschiedschrijving. J.W.M Schulten, auteur van onder andere de boeken "De geschiedenis van de Ordedienst"[3] en "En verpletterd wordt het Juk" schrijft hierover in het eerstgenoemde boek dat als ondertitel heeft: "Mythe en werkelijkheid van een verzetsorganisatie".

  • pag.22: "In de geschiedschrijving over Nederland in de Tweede Wereldoorlog is de hoofdrol voor L. de Jong weggelegd. Zijn magnum opus, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, is behalve een onmiskenbare steun, tegelijkertijd een hindernis voor iedereen die zich met bepaalde aspecten van de geschiedenis van Nederland in de Tweede Wereldoorlog bezighoudt. Die steun kan worden ontleend aan het gepresenteerde feitenmateriaal en de veelheid van onderwerpen die De Jong aandraagt en op een heldere en boeiende wijze presenteert. Het gegeven dat het werk van De Jong, dé wetenschappelijke weergave van de collectieve herinnering is, vormt de hindernis die een verdere ontwikkeling van geschiedschrijving over Nederland in de Tweede Wereldoorlog belemmert. Te veel wordt aan de hand van De Jong het Nederlands oorlogsverleden opnieuw gereconstrueerd, waardoor een vernieuwing van die geschiedschrijving achterwege blijft."
  • Pag. 335 "Het vertrouwen dat De Jong in de betrouwbaarheid van het verslag van de Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 stelt, is wel erg groot. Hoewel het verslag een zeer belangrijke historische bron is, betekent dit niet dat alles wat erin staat, zonder meer waar is. Van een verklaring die onder ede afgelegd is, mag men aannemen dat de betrokkene niet doelbewust de waarheid geweld heeft aangedaan. Het is niets meer dan een mening die niet per se met de werkelijkheid behoeft overeen te komen. De Jongs argument dat voor de Enquêtecommissie weinig onjuiste verklaringen afgelegd zijn is aanvechtbaar. Het is niet moeilijk een aantal voorbeelden te geven van verklaringen die volstrekt onjuist waren. Met deze te onkritische houding ten opzichte van het gebruik van het verslag van de Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 staat De Jong niet alleen. Ook voor vele andere historici is het verslag een al te gemakkelijk geciteerde primaire bron."

Met name over de verkeerde beeldvorming rondom de OD schrijft Schulten:

  • Pag. 335 " L. de Jong heeft zich in zijn "Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog" in hoge mate laten leiden door het verslag van de Parlementaire Enquëtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945. De stereotype voorstelling van zaken over de OD, zoals deze uit dat verslag naar voren komt, nam hij over. Zonder de integriteit van de Jong als historicus in twijfel te trekken, moet gesteld worden dat hij soms meer suggereert dan hij waar maakt. Door ooggetuigen aan het woord te laten en hun beweringen niet nader toe te lichten of te beoordelen canoniseerde hij de uitspraken door zijn grote autoriteit als historicus. Met die manier van werken heeft De Jong de beeldvorming over de OD beinvloed, vooral daar waar het de mythevorming betreft. " Met deze woorden verwijst de auteur ook naar de uitspraken van Koos Vorrink over de OD,
  • Pag 335 "De Jong stelt de voorstelling van Vorrink over de OD leiding impliciet als een feitelijkheid, terwijl het in werkelijkheid de uitgesproken opvatting van Vorrink was, een man die toch moeilijk als een afstandelijke beoordelaar beschouwd kan worden.

[bewerken] Bibliografie

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Herinneringen, deel 1, SDU, Den Haag, 1993
  2. Jan Rogier, "De geschiedschrijver des Rijks en andere socialisten", Nijmegen, 1979, ISBN 90 6168 122 7
  3. JWM Schulten, "De geschiedenis van de Ordedienst. Mythe en werkelijkheid van een verzetsorganisatie", Den Haag 1998, ISBN 90 12 08633 7